Voor de letterlijke betekenis schrijf je een l, voor de figuurlijke betekenis schrijf je een f.
De vakantie staat voor de deur. Hij bijt zijn tanden stuk op een harde noot. Hij bijt zijn tanden stuk op een moeilijk huiswerk. Hij laat zijn tanden zien.Hij verweert zich als ze hem plagen. De tandarts controleert of hij geen gaatjes heeft. Ze staat met de mond vol tanden.Oma krijgt een nieuw gebit. Ze weet niet wat te zeggen. Iets in de schoot geworpen krijgen.Iemand gooit een bal naar jou. Je krijgt iets zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Iemand aan de tand voelen.De tandarts onderzoekt het gebit. De directeur stelt vragen over wat er gebeurde met de ruit.