Schrijf een v voor de verleden tijd en een t voor de tegenwoordige tijd achter elke zin.Schrijf in de volgende zin de pv. in de andere tijd.
Jan woonde op het platteland en hield veel van wandelen. Jan op het platteland en veel van wandelen. Onze hond speelt buiten met een balletje. Onze hond buiten met een balletje. Ik lees de krant. Ik de krant. Onze krant zat reeds vroeg in de bus. Onze krant reeds vroeg in de bus. Ik vond het tof! Ik het tof!